ABC van Verkeer en Vervoer

 

 

Thema's: woordenschat, woordbetekenissen, verkeer, vervoer, vervoermiddelen, woordenlijst

 

 

Het ABC van Verkeer en Vervoer is een alfabetische woordenlijst van woorden die met verkeer en vervoer te maken hebben, met een korte, simpele omschrijving van de betekenis.

Ik heb bij het maken van Het grote verkeersboek van Tuk de hele dikke Van Dale doorgelezen op zoek naar woorden die met verkeer en vervoer te maken hebben.

 

 

Ik heb er een zeer uitgebreide woordenlijst van gemaakt.

Deze lijst krijg je per e-mail gratis bij bestelling van het Lespakket (PPT) Verkeer en Vervoer voor het digibord, voor tablet en computer.

 

 

Hieronder zie je een piepklein stukje uit Het ABC van Verkeer en Vervoer: de woorden en betekenissen bij de a.

© Betty Sluyzer

 

 

a

aak:

Een aak is een lange platte boot, waarop goederen vervoerd worden van de ene haven naar de andere.

aanhanger:

Een aanhanger is een kar die aan een auto of vrachtwagen vastgemaakt kan worden.

aardgastanker: gastanker.

Een aardgastanker is een groot schip waarmee aardgas wordt vervoerd.

achtbaankarretje:

Een achtbaankarretje is een karretje dat op de rails loopt van een achtbaan, waarin je met meer mensen tegelijk kunt zitten.

achterlamp: achterlicht.

Op een fiets die ’s avonds op straat rijdt, moet een achterlamp zitten die het doet.

achtersteven:

De achtersteven is het achterste deel van een schip.

achteruitkijkspiegel:

Een achteruitkijkspiegel is de spiegel binnenin de auto of de vrachtwagen boven het voorruit.

Daarin ziet de chauffeur wat er achter hem op de weg gebeurt.

ambulance: ziekenauto, ziekenwagen.

Een ambulance is een grote auto met zwaailicht, waarmee mensen die een ongeluk gehad hebben of een hartstilstand, snel naar het ziekenhuis vervoerd kunnen worden.

Er past een brancard in.

Een ambulance met sirene en zwaailicht heeft altijd voorrang.

Iedereen op de weg moet ruimte maken.

ambulancebroeder:

Een ambulancebroeder is een verpleger die getraind is in eerste hulp bij ongelukken.

Hij rijdt mee met de ambulance.

aquaduct:

Een aquaduct is een brug waarover heen een waterleiding loopt.

Aqua betekent water.

ar:

Een ar is een arrenslee.

Het is een grote slee, een soort open koets op glijders, die getrokken wordt door trekdieren zoals paarden, en rendieren.

ark: woonboot.

Een ark is een drijvend huis.

asfalteerder:

Een asfalteerder is een zware machine die asfalt kan maken.

Het vloeibare warme asfalt wordt op de snelweg gestort.

auto:

Een auto is een vervoermiddel voor op de weg met meer dan twee wielen, waarin mensen vervoerd worden.

auto antenne:

Een autoantenne is een voelspriet op de auto, waardoor je naar de radio kunt luisteren, kunt telefoneren en de weg kunt vinden.

autobus: bus.

Een autobus is een groot voertuig voor op de weg, waarin veel mensen tegelijk vervoerd kunnen worden.

Een autobus kan op diesel rijden, maar kan ook elektrisch zijn.

autogordel:

Een autogordel is een riem in de auto die je vast moet maken als de auto rijdt.

Die riem zit er voor de veiligheid, zodat je niet door het voorruit vliegt bij een botsing of als de chauffeur heel hard moet remmen.

autoped: step.

Een autoped is een plank op twee kleine wielen met een stuur.

Het is kinderspeelgoed.

Je staat er met één voet op.

Met de andere voet zet je af.

Zo maak je vaart.

Je moet ermee op de stoep rijden.

autoschip:

Een autoschip is een schip waarop auto’s worden vervoerd.

autotrein:

Een autotrein is een trein waarop je de auto kunt zetten.

Zo kun je een lange reis maken.

Je kunt slapen in de trein in een bed.

En de auto reist mee.

autovrachtwagen:

Een autovrachtwagen is een vrachtwagen waarop auto’s worden vervoerd.